YourSite - Slogan Here!

To strike or not to strike – that’s the question

Sinds kort ben ik lid van een vakbond. Als ik heel eerlijk ben, komt dat omdat het lidmaatschap als student heel goedkoop is. Ik vind solidariteit belangrijk, maar als het erop neerkomt, wil ik er blijkbaar niet te veel voor betalen. Daar ben ik niet trots op. Ik vind mezelf op dat punt een uitgesproken hypocriet mens. Grote mond over opstaan tegen bureaucratie en ‘grote machten’, maar verder? Anderen de kastanjes uit het vuur laten halen als ik er iets voor moet neertellen. Waardeloos.

Maar goed, nu ben ik dan dus toch lid. Voor zolang het duurt. En daar hebben we het eerste dilemma al. Want er staan stakingen op het programma voor dinsdag 6 maart. Protest tegen  bezuinigingen waardoor het hele primaire onderwijs in de knel komt – ondanks de mooie praatjes van minister Bijsterveldt. Ik ben tegen die bezuinigingen. Natuurlijk. Passend onderwijs – ja ja, leuk verzonnen. In de (gratis!) bus dus en op naar Den Haag! Laten zien dat we niet alles zomaar slikken. Leerkrachten zouden niet zo lijdzaam moeten zijn, roep ik al tijden. We moeten knokken voor wat we belangrijk vinden. We gaan laten zien dat we nadenken en dat wespandoeken kunnen maken. Op de barricaden!

Maar ja. Heeft dat wel zin, zo’n hele dag naar Den Haag? Zullen onze spandoeken en leuzen de minister en haar departement, het kabinet en de recessie op andere gedachten brengen? Wat kost dat wel niet, al die leerkrachten naar Den Haag voor een item in het 8-uur journaal? Ik kan beter voor de klas staan.

Mijn CNV Onderwijs roept me op te gaan. Ik vind dat ik moet gaan, ik ben tegen de bezuinigingen! Mijn Club roept me op, dat is een extra reden! Plus: ik mag gratis met de bus. Waarom zou ik niet gaan?

En toch. De weerstand neemt alsmaar toe. In mijn hoofd klinkt een zeurderig stemmetje. ‘Dus jij kunt zelf niet meer denken? Dat doen mensen die daarvoor betaald worden, vakbondsbestuurders? Die zeggen jou wanneer je waar moet zijn en wat je moet vinden?’

Of ik naar Den Haag ga? Geen idee. Maar dat lidmaatschap, goedkoop of duur, heeft zijn langste tijd wel gehad.

Werk in uitvoering

Er ligt een laagje van nauwelijks een halve centimeter, maar
het gebrek aan sneeuw doet niets af aan het enthousiasme van de kinderen.  In de kring gaat het over sneeuw en
sneeuwballen, sneeuwpoppen. Over koud en nat en zacht. En regelmatig staat een
kind op om bij het raam verlangend naar buiten te staren.

Een paar kinderen roepen in de kring dat ze een sneeuwbal
naar mij willen gooien – en slaan hun hand voor hun mond als ik ze aankijk. Zo
bedoelden we het niet juf, zeggen ze non-verbaal. Maar ik lach en zeg dat het
helemaal niet erg is.

Aan het eind van de middag vertel ik de kinderen dat het
tijd is om op te ruimen.  “Kijk maar eens
om je heen of je iemand kunt helpen – dan gaan we daarna naar buiten. Dan mogen
jullie allemaal sneeuwballen naar mij gooien.”

Er vaart iets in de kinderen. Een sneeuwbal naar de juf
gooien! Het is net alsof ik ze het mooiste cadeau heb gegeven dat ze ooit
hebben gekregen. Het opruimen gaat veel sneller dan normaal: er is een
gezamenlijk doel zodat de kinderen elkaar helpen. Af en toe komt een kind me
geruststellen door te zeggen dat hij of zij geen sneeuwbal naar mij zal
gooien.  Mijn opmerking dat ik het niet
erg vind, maakt ook bij deze kinderen iets los: geen zorgen over de ander,
gewoon doen wat je leuk vindt! Jaaaa.

Voor we naar buiten gaan, stel ik nog wat regels vast. Niet
gooien naar andere juffen, meneren en kinderen die dat niet fijn vinden en
alleen sneeuwballen zijn toegestaan.
Twee minuten erna ‘ren’ ik op een sukkeldrafje over het schoolplein met
een hele sliert joelende uitgelaten kinderen achter me aan.  Lange tijd geleden dat ik me zo vrolijk
voelde. Ik kijk naar de kinderen en ik denk: is dit echt werk?

Een bijzondere meester

Hij viel regelmatig in de klas. De kinderen hielpen hem
overeind zonder hem uit te lachen. Hij was hun meester. En wat voor een. Dat
hij al jaren aan de ziekte van Parkinson leed, maakte hem voor hen niet minder.
Waarom ook? De dingen die hij niet zo goed meer kon, compenseerde hij
ruimschoots  met zijn humor, zijn
wijsheid, zijn vriendelijkheid. Hij was een fijne meester en alle kinderen uit
al zijn klassen hielpen hem met liefde overeind als hij weer eens zijn
evenwicht verloor. Van zijn onverwachte bewegingen keek niemand meer op. Van
zijn grapjes wel. Die bleef hij maken.

Ik had hem graag als meester gehad. Maar hij is nooit mijn
meester geweest, hij gaf les op een basisschool in Alphen.  Daar woonden wij niet. Maar hij was wel iets
van mij. Hij was mijn oom. Mijn oom Ad. Afgelopen week heb ik hem samen met
mijn moeder en zus en andere familieleden begraven. In Leuven. Want daar
woonde, leefde en stierf hij. Ik keek in de kerk naar zijn foto en dacht: nu
komt het op mij aan. Oma was onderwijzeres, oom Ad was een meester en nu kom
ik.

Ik kan oma niet zijn. Of oom Ad. Ik kan alleen mezelf zijn
en hopen dat dat genoeg is. En als ik val, laat ik me oprapen. Je doet het niet
alleen – en dat hoeft ook niet.

Rust zacht, Adriaan van der Ven.

Verjaardagsstress

Half twee. Nu moet ik echt, echt, echt doorslapen.  Kwart voor drie! Pff, gelukkig, ik heb nog even. Vier uur. Dit is echt belachelijk. Ga. Nou. Slapen.

Hoe laat is het, heb ik me verslapen? Half zes. Nou, vooruit, nog een keer de routine dan. Eerst de troon klaarzetten. Marit en Rayan zitten naast hem. Vragen of hij stout kind wil spelen of niet. Hij gaat de gang op. Kroon (met vijf stickers, niet vergeten) verstoppen. Hij zoekt. We zingen lang zal hij leven. Wat komt er dan ook alweer…

Als ik uiteindelijk, veel vroeger dan gewoonlijk, naar mijn stageschool rijd, verklaar ik mezelf compleet voor geschift. Natuurlijk is de vijfde verjaardag van Demir belangrijk. Het is ook best spannend, de eerste keer een verjaardag alleen ‘draaien’. Op deze school heb ik nog maar een keer een verjaardag meegemaakt. Maar ik gedraag me bijna alsof ik een test moet doen waar mijn leven van afhangt. Relax, zeg ik tegen mezelf, het komt wel goed.

En dat is ook zo. Het kwam helemaal goed. Het was niet erg dat de kroon iets te groot was – Demir straalde, ook als hij tijdelijk even niets kon zien omdat “de mooiste kroon ooit” voor zijn ogen zakte.  Het was ook niet erg dat ik de precieze volgorde van het Duitse, Franse, Engelse en Spaanse ‘happy birthday’-liedje niet wist: Sander (ook net 5 geworden) hielp me door het zachtjes voor te zeggen toen hij merkte dat ik hulp nodig had.

We hebben het goed gevierd, met alles wat er bij hoort handjes, kusjes, een dansje, vuurwerk en op de stoelen staan. En natuurlijk een traktatie. Demirs moeder maakte foto’s en filmpjes en vond het helemaal niet erg dat ik vergeten was haar koffie of thee aan te bieden. Wonder boven wonder kon ik tijdens dit hele evenement de kinderen, het protocol en ook nog de tijd in de gaten houden. Zodat we na de viering  ‘gewoon’ konden gaan gymen en mijn schema overeind bleef.

’s Avonds sliep ik als een roos.

Ouderavond

Het is donker buiten en de klok tikt onverbiddelijk de minuten weg van de tien minuten die we hebben. We zitten met z’n vieren aan tafel: twee ouders, twee leerkrachten. Onderwerp van gesprek is de ontwikkeling en het welzijn van Anika. En dus passeren haar sociale gedrag, haar emotionele en lichamelijke ontwikkeling, leertaakgedrag en natuurlijk de cognitieve ontwikkeling. Ze doet het goed op een aantal vlakken en blijft op een aantal andere nog wat achter. Maar haar leercurve is stijgend: een heel bemoedigend signaal. De vader zegt zichzelf te herkennen in bepaald gedrag van Anika: “Ik was vroeger precies zo.” De moeder kijkt hem aan en zegt: “En niet alleen vroeger.” We lachen allemaal.

Ik denk voor het eerst in een oudergesprek: zo hoort het. We kennen elkaar niet goed, maar we vertrouwen elkaar op een belangrijk punt: dat we allemaal het beste met Anika voorhebben. We geven elkaar het voordeel van de twijfel als dat nodig mocht zijn, we werken samen om haar alle kansen te geven die ze verdient en nodig heeft, nemen elkaar serieus in onze verschillende taken. En, niet in de laatste plaats, ik neem ook mijn eigen rol daarin serieus – waardoor ik als volwaardige (gespreks)partner gezien word.

De tien minuten zijn ontoereikend, maar toch moet ik tot afronding manen: in de gang hebben de volgende ouders zich al opgesteld. Ik hoor Ineke zeggen: “Het is een bijzonder meisje en we zullen haar in de gaten moeten houden.” Ik voeg toe: “Voor jullie is ze uiteraard bijzonder omdat het jullie dochter is en voor ons is ze bijzonder omdat ze ‘onze Anika’ is. Laten we elkaar op de hoogte houden.” Ik meen het uit de grond van mijn hart. Ik heb liever dat de ouders van Anika me regelmatig na school aanspreken als ze dat nodig vinden dan dat ze zich niet welkom zouden voelen. Zoals dat inmiddels voor alle ouders van alle kinderen uit mijn klas geldt.

Wat een verschil met een tijd geleden toen ik ouders nog vooral ‘vervelend’ en ‘opdringerig’ vond. Ik voelde toen heel sterk de neiging om ze op afstand te houden, ze moesten me mijn werk laten doen en zich daar zo min mogelijk mee bemoeien, vond ik. Waarschijnlijk omdat ik voelde dat wat ik deed nog niet sterk genoeg was om kritiek te kunnen weerstaan. Inmiddels ben ik veel zekerder van mijn zaak en van mijn rol in het geheel.

Anika en ik: we leren nog steeds. Bemoedigend teken.

Band

Ik was er een weekje uit vanwege ziekte. Als we ’s ochtends weer met z’n allen in de kring zitten, mogen de kinderen die me gemist hebben hun vinger opsteken van Ineke. Hartverwarmend al die vingers.  En ja, ik heb hen ook gemist. Wat is het toch prettig van kleuters dat je zo snel een band met ze opbouwt, denk ik nog.

Maar ’s middags vertelt Ineke dat de kinderen van groep 2, haar groep 1 van vorig jaar dus, haar iedere ochtend straal voorbij lopen. “Ik kon vorig jaar met ze lezen en schrijven – bij wijze van spreken”, vertelt ze. “En nu zijn we tien weken verder in het nieuwe jaar en ze keuren me geen blik meer waardig. Dat gaat zo snel bij jonge kinderen.”

Ik denk aan de kleuters –inmiddels allang geen kleuters meer- uit mijn tweede stage. Ilse, Lucas, Anas, Jaydy, Myrthe, Stephan, Dewi, Rens en Imke en al die anderen met wie ik  begin 2010 een band opbouwde. Ik denk nog regelmatig aan ze en aan de dingen die we samen meemaakten. Ik hoop dat het goed met ze gaat; sommigen zullen inmiddels al in groep 4 zitten en praten over ‘vroeger’ als het over hun kleutertijd gaat. Alsof het eeuwen geleden is – wat in hun beleving ook klopt. 

Ik ken al hun namen nog, maar ik weet dat ze mij waarschijnlijk niet meer zouden herkennen. Dat geeft niet. We hadden toen een bijzondere band en ik hoop dat ze daarvan hebben geprofiteerd door zich te ontwikkelen. Nu hebben ze iemand anders om op te vertrouwen en van te leren. Met die persoon hebben ze een band. Prima. Dat is wat zíj nodig hebben.

En daar gaat het om.

Speelplaats

Terwijl we op de bank in het zonnetje zitten, komt het gesprek op het regelmatig terugkerende duw- en trekgedrag van jongens. We zijn het oneens. “Ik maak er meteen een eind aan als ik dat zie”, zegt Ineke, mijn mentor. “Daar heb ik zo’n hekel aan.” Ik begrijp haar. Vaak ontaardt het gedrag in een huilpartij omdat iemand zich bezeert of zich ineens bedreigd voelt. Lang gaat het in ieder geval meestal niet goed. “Ik vind dat ze hun energie maar in iets productiefs moeten stoppen”, vervolgt ze. “Bijvoorbeeld in rennen of fietsen. Er zijn genoeg andere dingen die ze kunnen doen.”

Even ben ik in dubio. Ineke heeft ruim 35 jaar ervaring als leerkracht. Ik hecht veel waarde aan haar mening en ik zie haar punt. En toch ben ik het niet met haar eens. Het is prettig te merken dat dat kan: dat we overeenkomen dat we verschillen in onze visie.

Ik denk aan de dag ervoor toen vijf kleine jongetjes over elkaar heenvielen en een tijdje lachend zandhapten. Ineke was er niet; maandag sta ik alleen voor de groep. Ik wist dat het niet lang goed zou gaan en hield daarom het schouwspel goed in de gaten. Maar ik liet ze begaan. Bewust. Omdat ik denk dat ze dat nodig hebben, dat duwen en trekken. Het plezier, maar ook de problemen die ontstaan uit duwen en trekken zijn andere dan die kunnen ontstaan uit rennen en fietsen en ik wil dat ze dat zelf ervaren.

Wat gebeurt er als ik hem duw? Hij duwt mij terug. Grappig. Dit is leuk. Wat gebeurt er als ik hem harder duw? Hij duwt mij harder en ik val. Dat doet zeer. Ik heb zand in mijn ogen. Dit is niet fijn. Hoe kan ik dit stoppen?  

Van een afstandje houd ik als leerkracht in de gaten of het gelijk op gaat. Wordt iemand gedwongen mee te doen? Wordt er vals gespeeld of iemand valselijk beschuldigd? Verandert stoeien gaandeweg in gericht slaan of schoppen? Dan grijp ik in en stevig. Tot die tijd? Ze zoeken het maar uit samen.

Speelplaats 1

Op de speelplaats gaat er nogal eens iets mis. Meestal komt er geen bloed bij de ongelukjes kijken, gelukkig, maar meestal wel dikke tranen. Die uiteraard door de juf gedroogd moeten worden. Hoewel het geluid soms oorverdovend is, kijken de meeste kinderen niet op of om. Alleen als ze weten dat er wellicht een schuldvraag gesteld gaat worden en bij het antwoord hun naam zal vallen, komen ze met het huilende slachtoffertje mee. Nog voordat goed en wel duidelijk is wat er gebeurd is, hebben zij al verteld dat ze er niets aan konden doen, dat de ander begon, dat ze al sorry gezegd hebben.

Niet de pijn van de ander maar het ontlopen van een vermaning staat centraal. Ik weet inmiddels dat dat heel normaal is; inleven in een ander komt later in het leven. Dat doen kinderen van vier jaar over het algemeen nog niet zo erg. Behalve Marit.

Niet alleen haar vriendinnetjes, maar alle kinderen uit de klas die zich huilend bij mij melden, krijgen een bekertje met water van haar aangeboden. Wanneer het precies begonnen is, weet ik eigenlijk niet meer. Wel dat ik haar er uitgebreid voor gecomplimenteerd heb en dat ze (als gevolg daarvan?) nu regelmatig met een bekertje naar buiten komt.

Het is ontroerend om te zien en tegelijkertijd vraag ik me af wat haar drijfveren zijn. Doet ze het uit zichzelf omdat ze wil helpen, zoals die eerste keer? Of doet ze het om mijn goedkeuring te krijgen? In hoeverre leer ik haar op deze manier dat ze moet zorgen voor anderen om gewaardeerd te worden? Want dat wil ik pertinent niet. Ik vind zorgen voor een ander een positieve eigenschap, maar ik wil haar niet het idee geven dat ze het moet doen om gewaardeerd te worden. Mijn opmerking dat het heel lief van haar is, maar dat het niet hoeft heeft niet veel indruk gemaakt. Ze blijft het doen. Toegewijd. Niks aan de hand dus, zou je zeggen.

Ik zou het alleen helemaal  fantastisch vinden als ze niet meer meteen naar mij zou kijken als ze het bekertje gegeven heeft.

Niet vergeten haar te complimenteren als ze voor zichzelf opkomt.

Magisch

Kleuters zijn nog in de veronderstelling dat alles, maar dan ook echt alles kan gebeuren. Ze kijken nergens van op. Dit magisch denken van ze kwam onlangs weer ter sprake tijdens een les leeftijdspecialisatie. Ik moest meteen denken aan Sam, mijn neefje die toen hij vijf jaar was eens de glazen schuifpui midden in de winter wagenwijd openzette. Op de verbaasde reactie van mijn zus zei hij: “Tantrieke zei net aan de telefoon dat ze vanmiddag op haar vliegende bezem komt. Ik zet de deur alvast open anders vliegt ze er nog tegenaan”.

Ook controleerde ik tijdens mijn bezoeken steevast zijn fluittenen, zoals ik dat inmiddels bij zijn jongere broertjes doe. Soms op verzoek van de heren zelf: “Tantrieke wil je even kijken hoe het met mijn fluittenen is?” Niemand vindt dat vreemd. Sam –inmiddels 8 jaar– deelt inmiddels niet meer zijn tenen met mij, maar veelbetekenende blikken als ik voorovergebogen over de voeten van zijn broers zit. De magie zit voor hem inmiddels ergens anders – in

Ik was dus op de hoogte van het magische denken van jonge kinderen toen ik van de week een handpoppetje gebruikte in de kring. Toch was het voor mij opnieuw  een magisch moment toen de kinderen het poppetje in de gaten kregen. Ik hoefde niet eens mijn best te doen om te buikspreken; alle ogen waren op het eendje gericht. Vol verwachting. Mijn mond en gezicht, levensgroot naast het piepkleine eendje, kregen geen enkele aandacht meer. Het was prachtig om te zien hoe de kinderen zich volledig overleverden aan dit nieuwe vriendje en hoeveel macht ze hem toedichtten. Voor hem deden ze alles! Wat een lief, grappig, schattig eendje is dit, hè juf? En wat een knap eendje! “Want hoe kan het nou dat hij al onze namen al kent?”

Een goed begin….

Aan het eind van de eerste dag zitten we in de kring. We kennen elkaar net, de kinderen van groep 1 en ik. Dit jaar gaan we samen ‘doen’. Sander (4) zit naast me en heeft me al een paar keer laten weten dat hij dat erg leuk vindt. Op een gegeven moment pakt hij mijn hand en kijkt me serieus aan. “Juffrouw Marieke”, voegt hij me toe terwijl hij een beetje naar me toebuigt, “vanavond kom ik bij jou slapen.” Ik ben verrast. Blij verrast. Ik zeg dat ik het een leuk idee vind, maar toch ook mijn bedenkingen heb. “Ik denk dat papa en mamma het niet leuk vinden als ze je een avond moeten missen”, veronderstel ik. Maar Sander laat zich niet uit het veld slaan: “Daar praat ik dadelijk wel even mee”, stelt hij mij gerust. “Maar”, laat hij me meteen even weten, “ik neem Beer wel mee.”

De dag erna komt Thom (4) me telkens enthousiast halen als hij een vriendje moet zoeken om mee in de rij te staan. Ik wijs hem op andere kindjes die nog om een handje verlegen zitten. Hij volgt mijn aanwijzingen zonder mokken op, maar ook hij geeft zich niet snel gewonnen: eenmaal buiten pakt hij meteen weer mijn hand. Die ik voorzichtig losmaak terwijl ik hem aanspoor te gaan spelen met de kinderen. Hij haalt een kar die hij wel zes keer langsrijdt: hard, zacht en achteruit. Ondertussen kijkt hij me stralend aan. Ik ben verkocht.

Alles is nog nieuw: de route die ik ’s ochtends fiets, de sleutel die ik heb gekregen, mijn emailadres, de koffiemachine, de routine in de klas, de collega’s en, niet in de laatste plaats, de kinderen.

Toch weet ik het nu al zeker: dit wordt een heel goed jaar.